Bovenbouw (Klas 10)

Een greep uit de leerstofinhouden

Klas 10

(download de lestabel)

Aardrijkskunde

In de tiende klas worden de grote, bewegende aardeprocessen en hun onderlinge samenhang behandeld door middel van een studie van de dynamische aspecten van het aardrijk: atmosfeer, wind, weer, klimaat.. Met een wijde blik op de aarde zien we hoeveel verschillende verschijningsvormen de aarde heeft en aan welke processen zij ten grondslag liggen. Dus niet de aarde als object, de aarde als steenklomp, maar de aarde als mysterie is het centrale thema. De mens bewerkt die aarde en stemt zich daarbij af op de mogelijkheden die zijn omgeving hem biedt, afhankelijk van grondsoort, reliëf, vochtigheid en dergelijke. We bekomen een zover mogelijk geobjectiveerde kijk op het aardrijk, tegelijkertijd zetten we de poorten open voor een levendig denken over die aarde.

Biologie

In het leven van de mens kunnen we spreken van een incarnerende stroom waardoor het lichaam van de mens een steeds vastere vorm gaat aannemen. Zo wordt het menselijk lichaam steeds minder plastisch, op latere leeftijd zal het star worden en immobiel. Er zijn vele factoren die gaan bepalen hoe het leven stilaan vastere vorm krijgt: de erfelijkheid vanuit de ouders, het lichaam dat zich steeds duidelijker en doelmatiger ontwikkelt, de opvoeding, het milieu,…
Dat elke mens bovendien een unieke biografie kan gaan, heeft hij anderzijds te danken aan de levens- en zielenkrachten en aan zijn individuele en vrije ik. Het is deze excarnerende stroom die ervoor zorgt dat de mens niet vastgeroest geraakt, noch op fysiek noch op mentaal vlak.
Beide processen moeten elkaar in evenwicht houden want onevenwicht brengen ongemak en ziektes met zich mee
In de lessen biologie bestuderen we de verschillende orgaanstelsels en overstijgen de idee dat deze los van elkaar staande en vervangbare apparaatjes zijn. We staan verwonderd stil bij de wijsheid van het menselijk lichaam als samenwerkend geheel.

 

Chemie

In dit jaar buigen we ons in de chemie voornamelijk over de anorganische wereld. Al lijkt dit een familie van ‘dode stoffen’, toch is het wonderlijk om te zien hoe hierop krachten inwerken die de meest harmonieuze kristalvormen doen ontstaan. We maken dan ook de noodzakelijke tijd vrij om zelf kristallen te doen ontstaan en te laten uitgroeien tot indrukwekkende grootte.
Anderzijds besteden we ook aandacht aan de verbanden tussen de zouten, de zuren en de basen. Splitsingsreacties, neutralisatiereacties, verdringingsreacties en uitwisselingsreacties worden zowel theoretisch als praktisch behandeld.

Boerderij- of winkelpracticum

De negende klassers zijn gericht naar de buitenwereld, men wil ervaringen opdoen, op verkenning gaan in de (werk)wereld van de volwassenen. Hij of zij ondergaat niet alleen meer maar wil stilstaan bij de dingen. Een ‘winkel- of boerderijpracticum’ is daarvoor zeer geschikt. De school leidt en voedt op voor het leven en dat leven speelt zich af in een werkgemeenschap. Ervaringen in die sfeer zijn binnen de schoolmuren niet mogelijk.

Boerderij (bedrijf): Er wordt naar gestreefd de leerlingen inzicht te laten verwerven in het reilen en zeilen van een land- of tuinbouwbedrijf. Uit dit inzicht, dat vanuit een concrete situatie wordt verworven, kan een algemene beoordeling van de agrarische sector als voedselproducent en economische entiteit groeien.

Winkel (kleinhandel): Het doel is een beeld te krijgen van de werking van een winkel, wat er voor het uitbaten van een winkel noodzakelijk is, wat er in- en uitgaat,…

In de negende klas wordt dus een week practicum voorzien. Niet zomaar een week geen les, maar omdat deze praktijkweek en de daaruit voortvloeiende ervaringen noodzakelijk en inspirerend zijn voor een vijftienjarige.

 

Fysica

Tijdens de fysicaperiode onderzoeken we samen wat krachten zijn. Bovendien bekijken we hoe hieruit beweging kan ontstaan. De wetmatigheden die door wetenschappers als Newton en Galilei werden afgeleid worden zeer belangstellend maar tegelijk kritisch onderzocht. De praktijk leert ons namelijk dat er niet in rigide wetmatigheden moet worden gedacht, maar dat we creatief dienen om te springen met het beschrijven van de fenomenen die ons omringen.

 Het sociaal practicum In de tiende klas wordt door elke leerling één week sociaal practicum gelopen in een verzorgende instelling. Dat kan zowel in de medische, maatschappelijk-sociale als dienstverlenende sector zijn. Concreet wordt gedacht aan werkgebieden waar mensen in een afhankelijkheidsrelatie voor elkaar zorgen en verantwoordelijkheid dragen zoals ziekenhuizen, bejaardentehuizen, therapeutica, scholen voor buitengewoon onderwijs, tehuizen voor verstandelijk en lichamelijk gehandicapten, … Het is de bedoeling dat de leerlingen hier zinvol werk verrichten dat hen zo veel mogelijk in direct contact brengt met de mensen die verzorgd of begeleid worden. Zij willen deze leren kennen en willen zich ook voor hun welzijn verantwoordelijk voelen.

Frans

De basis van de Franse taal wordt verder uitgebreid. De grammatica wordt afgewisseld met kennis van land en volk, liedjes, gedichten, verhalen en dialoogjes die voor de klas worden gebracht. Veel aandacht gaat naar klankvorming, beeldentaal, zelfredzaamheid. De leerlingen leren lezen, schrijven, luisteren en spreken in een Frans dat steeds vloeiender wordt.

Geschiedenis

We duiken de onpeilbare afgronden in, op zoek naar de oorsprong van onze cultuur. We bestuderen hoe de mens de aarde omvormt en hoe de aarde op haar beurt de mens en zijn cultuur mee vorm geeft. Aan de hand van experimenten met silex, hout en plantenvezels blijkt al gauw dat ook voor de allereerste vormen van werktuigen de mens die scheppende krachten gebruikt die hij later inzet om waterlopen, stromen, zeeën en woestijnen te bedwingen. De leerlingen werken samen naar het voorbeeld van een echt archeologenteam om tot de reconstructie te komen van de gehele uitrusting van een op geheimzinnige wijze, hoog in de bergen gestorven herder. Hypotheses moeten tegen elkaar en tegen de feiten afgewogen worden tot er een plausibele verklaring tevoorschijn komt. Op het einde, na de studie van opkomst, bloei en ondergang van de verschillende stroomculturen en van de Griekse cultuur die enig in zijn soort is, onderzoeken we zelfstandig of in kleine teams een niet westerse cultuur: hoe die ontstond, groeide en verging.

 

Wiskunde

In de tiende klas zetten we de wiskundethema’s voort volgens een belangrijk principe, namelijk dat nieuwe begrippen aangebracht worden in dezelfde volgorde als ze ontdekt zijn in het verleden. Daar zijn immers begrippen als logaritmen of goniometrische verhouding logisch en vanuit een organische vanzelfsprekendheid ontstaan. En zo is het voor de leerling ook de meest zinvolle benadering. Zo ontdekte men het begrip logaritme pas nadat de wetmatigheden van rekenkundige en meetkundige rijen bekend waren geraakt. In die volgorde zullen wij het dan ook aan de leerlingen aanbieden.

Maar wiskunde blijft ook ‘verwondering’ oproepen en zo begeven we ons in de fascinerende wereld van de fractals: het zich herhalend voordoen van een principe in een groter of kleiner wordende schaal, zoals we dat bv. kennen bij de beroemde Matroesjkabeeldjes.

Een belangrijk wiskundethema is ook de driehoeksmeting die ten grondslag ligt aan de topografie of landmeetkunde. Als toepassing op deze leerstof zullen we gedurende een week een groot gebied in kaart brengen met behulp van theodolieten, waterpasniveau ’s en meetlatten.

 

Lichamelijke Opvoeding

In het negende jaar is de doelstelling van de bewegingsopvoeding om de lichamelijke krachten te bundelen en te ordenen. De jongens kunnen wel eens prestatiegericht uit de hoek komen, terwijl de meisjes hun bewegingen uitdrukken in de vormgevende ritmische elementen van de sport. Zowel het hordelopen, de fosbury flop, de dievensprong, karaté als verdedigingssport, de turnopdrachten, het kogelstoten en de coopertest, zijn opdrachten die van binnenuit de energie konden losmaken.  De balsporten dragen dan weer bij tot samenspel en spelvreugde, waar het aanleren van de technieken nog sterk op de voorgrond staat.

Jaarwerk

De negende klasser schrijft een biografie over een persoon die hij/zij kent en van wie hij/zij het levensverhaal graag op papier zet. Men kiest iemand die al een groot deel van zijn of haar leven achter de rug heeft (bij voorkeur een 60+er). Als het lukt om de ‘rode draad’ in dit leven te herkennen en te omschrijven, is de biografie geslaagd. Tijdens de biografieweek zal men leren hoe men met behulp van een aantal zienswijzen naar iemands persoonlijkheid (kwaliteiten en werkpunten) en iemands leven kan kijken. De definitieve versie moet klaar zijn in de week na de paasvakantie.

Plastische Opvoeding

Tekenen & Schilderen

Na de studie van licht en duister in het vorige jaar waarin vele zwart-wit tekeningen werden gemaakt, wordt in de tiende klas het wezen van de kleuren onderzocht. De zielsgesteldheid van de 16jarige is nu zo dat het landschap aangevoeld en geschilderd kan worden. De mogelijkheden van de kleur worden onderzocht vanuit haar transparant en dekkend karakter. Vertrekkende vanuit stemmingsbeelden zoals bij William Turner en Caspar David Friedrich, komen de leerlingen uiteindelijk tot een eigen taal. Wat zien de leerlingen vandaag rondom hen? Sommige van hun landschappen zijn echte tijdsbeelden, zoals bv. de avondstemming die een 10de klasleerling schildert bij het voetbalveld waar hij wekelijks traint.

Boetseren

Terwijl het oordeelsvermogen in de 9de klas nog vooral gericht is op de buitenwereld, zetten de leerlingen in de 10de klas een stap meer naar binnen. Het theoretisch oordeelsvermogen ontwaakt en de ontwikkeling van de abstractie komt op gang. Daarom is ook het bestuderen van processen en stromingen van grote waarde. Met het vak  boetseren in de 10de klas vertrekken we daarom vanuit deze gegevenheden. Zowel het gevoelsleven, de eigen waarneming als het ontwakende gedachteleven krijgen een belangrijke plaats tijdens de boetseeropdrachten. Het herkennen en het creëren van vormdynamica neemt een vooraanstaande plaats in bij het oefenen. Concreet wil dit zeggen dat de leerlingen oefeningen krijgen zoals het boetseren van een slakkenhuis, een stapeling van kruisende balken, het metamorfoseren van een bepaalde vorm in verschillende stadia, het boetseren van een dier in balkvorm, het maken van een compositie op basis van door de wind gevormde duinen,… De menselijke gestalte komt hier ook aan bod, zowel verstilde als versteende bewegingen.

Tijdens de periode etsen, die al een aanloop is naar het latere drukatelier, leren de leerlingen zowel de droge naaldtechniek als de etstechniek. De leerlingen maken een reproductie naar Rembrandts werk, alsook bv. een fantasiekathedraal naar eigen ontwerp.

Ambachten (expressie): hout, koper, …

Koper- en metaalbewerking

Koper drijven in de 9e klas zat grotendeels in de gevoelssfeer.  In de 10e klas wordt een grotere wakkerheid vanuit het wilsgebied geëist.  Hier is een gerichte kracht vanuit de wil nodig om het koper in mekaar te drukken en dikker te maken.  Slag na slag wordt het metaal spiraalsgewijs in elkaar gedrukt aan de buitenkant van de vorm, m.b.v. een stuikhamer. Het koper wordt regelmatig uitgegloeid, zodat het smeedbaar blijft.

Deze stuikbewerking maakt scherpe en diepere vormen mogelijk.  Denken en concentratie worden aangesproken, ook hier is grote alertheid noodzakelijk. Er wordt een beker of een vaas gemaakt; of een doos met perfect passend deksel.

Het smeden is één van “oerhandwerkvakken” die op de leerling vormend inwerkt.  Het spreekt zowel de concentratie als de wakkerheid en het snelle en gerichte handelen aan. Er is de directe beleving van het smeedbare ijzer.  Men moet met een vak als smeden alles  goed vooraf doordenken: welk gereedschap heb ik nodig, in welke volgorde moet ik het klaarleggen.  Want je moet het ijzer smeden als het heet is!

Er wordt heel direct met de 4 elementen gewerkt: aarde met haar erts, vuur om te verhitten, lucht om het vuur aan te wakkeren en water om het metaal te verkoelen en vormvast te laten worden.

Vooral de ambachtelijke kant van het vak komt naar voor.  Vuurhaken, haardpoken,… werden  gesmeed.  Maar ook kunstzinnige projecten zoals het smeden van een blad (boom) komen aan bod.

Houtschrijnwerk

Schrijnwerkerij is een uitgesproken doe-vak dat verbonden moet worden met het exacte denken. Centraal staat de houtverbinding. Het hout wordt aangeboden in zijn meest starre vorm, begrensd door 6 vlakken die 2 aan 2 loodrecht op elkaar staan. De jongeren leren deze balken met elkaar te verbinden door ze elk apart van een passende constructievorm te voorzien.  Zo is de pen-gatverbinding als belangrijke verbinding terug te vinden in het krukje, een werkstuk waaraan een groot deel van de periode gewerkt wordt.

In het begin van de periode staat het op de millimeter uittekenen van de werkstukken voorop (het technisch tekenen). Nauwkeurig passende verbindingen maken staat of valt hiermee. Winkelhaak, kruishout, schuifmaat, dit alles wordt vertrouwd gereedschap. De jongeren leren recht zagen, en veilig werken met steek- en gatbeitel.  De juistheid, gehanteerd bij afschrijving en zagen van het hout, blijkt ook onmiddellijk bij het resultaat. Het krukje staat of wankelt.

Het zich meester worden van afschrijftechnieken, zaag- en kaptechnieken wordt afgewisseld met introducties over de boomsoorten, doorsnede van de stam en het FSC-label voor hout.

De 10de klasleerlingen bezitten die basishandvaardigheden en gaan reeds een groter werkstuk maken.  Projecten worden uitgevoerd in groepjes van 2 of 3. Hierbij worden hobbymachines gebruikt: vlakschuurmachine, decoupeerzaag…Na de periode wordt het werkstuk weggeschonken aan de school of aan een ander zinvol project.

Kartonnage

De leerlingen maken in het vak kartonnage kennis met de verschillende grondstoffen en leren in hoofdzaak mooi versierde opbergkaften uit te voeren.  Daarbij varieert de arbeidsvorm van individuele afwerking van werkstukken tot arbeidsdeling bij het uitvoeren van eventuele wensen die anderen hebben geformuleerd.  Tevens kunnen de leerlingen kennismaken met de basistechnieken van de papierfabricage en de vervaardiging van decoratieve papieren.

Muzikale Opvoeding

In de muzieklessen wordt er getracht om het gehoor verder te ontwikkelen via vierstemmige zang (sopraan, alt, tenor, bas). En dit via belangrijke componisten uit de gehele muziekgeschiedenis. Op die manier ontdekken ze de muziek in de eerste plaats door ze zelf actief te beleven en te beoefenen.

Ook wordt het gehoor nog gerichter getraind door middel van theoretische en gehooroefeningen zoals o.a. het herkennen van toonafstanden, toonaarden, ritme … Er wordt eveneens regelmatig “actief” geluisterd naar muziek. Het is dus de bedoeling om de leerlingen op die manier een bredere gehoorontwikkeling aan te bieden, zodat zij na het afsluiten van hun studie een bredere kennis hebben van muziek, deze kunnen herkennen, zelf kiezen en beluisteren en vooral er meer kunnen van genieten.

 

Frans

In de tiende klas werken we op basis van een handboek.  De lessen worden aangevuld met specifieke cultuurgebonden elementen die nauw aansluiten bij de intrinsieke motivatie en belangstellingssfeer behorend bij hun ontwikkelingsfase.  Dit kunnen liedjes zijn waarbij de nadruk komt te liggen op het gevoelsmatige en de zin voor het abstracte dat kenmerkend is voor die leeftijdsgroep.  Ook meer uitgebreide teksten die ingaan op de individuele interesses en het vermogen van de tiende klasser komen aan bod.  Het doel is de kijk op de (vreemde) Franse cultuur te verruimen en zo de vaak hedendaagse aversie tegen het Frans tegen te gaan.  De Franse taalverwerving zien we dus eveneens als een dialoog waarbij de leraar interactie aanmoedigt.  Hierdoor krijgt de leerling vertrouwen in het eigen uitdrukking- en taalvermogen.

In dit proces neemt de grammatica (het skelet) uiteraard een voorname positie in als middel om gedachten een stevige vorm en logische samenhang te geven.  De aanbreng van structuur is immers van primordiaal belang voor een tiende klasser.

Lichamelijke Opvoeding

Het sociale proces staat in de lessen lichamelijke opvoeding centraal. De eigen bewegingen moeten harmonisch samenvloeien met die van de klasgenoten. Elkaar helpen bij moeilijke sprongen is hierbij ook aan de orde. Ook het verweven van het gevoel bij het maken van sprongen, het esthetisch uitvoeren van grondoefeningen, het evenwicht vinden tussen de centripetale en centrifugale krachten,… zijn voortdurend thema van deze LO lessen.

In de praktijk komen aan bod: discuswerpen, rock & roll, saltobeweging, acrogym, balsporten,…

Landmeten/topografie

Met de 10de klas trekken we gedurende een volledige schoolweek naar een groot gevarieerd gebied met weiden, wegen, heide, vennen en gebouwen om dit gebied, dat vele hectaren groot, is op te meten en in kaart te brengen. Het is telkens een hoog gegrepen verwachting, zeker als we beseffen dat niemand reeds op voorhand enige noties heeft van de verschillende topografische opmetingstechnieken.

“Al werkend leren “ is onze methode: we beginnen er gewoonweg aan en wanneer het zich opdringt geven we als leerkrachten de nodige uitleg en informatie. Dat brengt met zich mee dat er, zeker de eerste dagen, nog geregeld fouten gemaakt worden en die moeten dan telkens worden rechtgezet. Soms tot na het avondeten! Maar dat geeft ook de motivatie om de volgende dag preciezer en bewuster aan het werk te gaan. Uiteindelijk leren we werken met de theodoliet, het pentagoonprisma, de jalons, de meetbakens, rolmeters,…

Het is fascinerend om zien hoe naar het einde van de week een heus plan tot stand komt dat een precieze verkleining is van het domein: gebouwen, wegen, open terreinen, bossen,… alles staat er nauwkeurig op aangeduid.

Cultuurbeschouwing

In deze periode maken we kennis met de vijf grote wereldreligies. We bestuderen telkens de ontstaansgeschiedenis, de schriftelijke en mondelinge overlevering van de specifieke leer, de rituelen en de gebruiken maar ook de cultuur die met deze religies verbonden is. Naast het beschrijvende maken we ook concreet kennis met de besproken godsdiensten via de bezoeken aan een moskee, een katholieke kerk, een joodse synagoge, een boeddhistische tempel of een Hare Krishna-centrum.

Nederlands

In het vak Nederlands staat de middeleeuwse literatuur centraal. Het eerste thema dat behandeld wordt, is hoe de bloedverwantschap tussen familieleden in de Germaanse heldensagen en in de middeleeuwse verhalen aan belang inboet en plaats maakt voor de persoonlijke keuze van de levenspartner/vriend, met alle verwikkelingen op sociaal, psychologisch en biografisch vlak die daaruit voortvloeien. Het gaat om het thema van de trouw en de vriendschap (voorhoofse cultuur) en om de overgang naar de minne (hoofse cultuur). Dit gegeven vindt men in de middeleeuwse literatuur van heel West-Europa en Noord-Europa en in Italië en wordt behandeld in samenhang met culturele stromingen en figuren van grote betekenis (op godsdienstig, cultureel, literair, maatschappelijk gebied). Dit thema kan ook onderzocht worden in de moderne Nederlandse literatuur.

Een  tweede  belangrijk  inhoudelijk thema  is  het  probleem  van  het  kwaad  in  de  middeleeuwse letterkunde en hoe men er nu tegenover staat.

Voorbeelden van onderzochte literatuur zijn: het Nibelungen- , Roelands- en Gudrunlied, Karel en de Elegast, Floris ende Blancfloer, Beatrijs, Reinaert de Vos en de Arturromans naast een  aantal  wereldlijke  en  geestelijke  minneliederen,  o.m.  van  Hadewijch,  Van Veldeke, Jan Moritoen

Esthetica: de pöetica

De leeftijd van de tiende klasleerling houdt een worsteling in met het prille zielenleven. Allerlei nieuwe emoties ontstaan in de relatie die de jongere ervaart met de buitenwereld, de andere en het andere.

Poëzie is hier het werkmiddel bij uitstek. Het uitspreken van het onuitspreekbare, het verwoorden van de emotie het aangaan van de relatie tussen dichter en lezer of toehoorder.

De leerlingen bereiden in deze periode een poëzieprogramma voor dat ze expressief presenteren voor een publiek van ouders, medeleerlingen en andere geïnteresseerden. Naast de technische aspecten is het belangrijk dat de leerlingen zich leren inleven in de emotie en dramatiek die op dat moment niet persé de hunne is.

Bovenbouw (Klas 10)

Een greep uit de leerstofinhouden

Klas 10

(download de lestabel)

Aardrijkskunde

In de tiende klas worden de grote, bewegende aardeprocessen en hun onderlinge samenhang behandeld door middel van een studie van de dynamische aspecten van het aardrijk: atmosfeer, wind, weer, klimaat.. Met een wijde blik op de aarde zien we hoeveel verschillende verschijningsvormen de aarde heeft en aan welke processen zij ten grondslag liggen. Dus niet de aarde als object, de aarde als steenklomp, maar de aarde als mysterie is het centrale thema. De mens bewerkt die aarde en stemt zich daarbij af op de mogelijkheden die zijn omgeving hem biedt, afhankelijk van grondsoort, reliëf, vochtigheid en dergelijke. We bekomen een zover mogelijk geobjectiveerde kijk op het aardrijk, tegelijkertijd zetten we de poorten open voor een levendig denken over die aarde.

Biologie

In het leven van de mens kunnen we spreken van een incarnerende stroom waardoor het lichaam van de mens een steeds vastere vorm gaat aannemen. Zo wordt het menselijk lichaam steeds minder plastisch, op latere leeftijd zal het star worden en immobiel. Er zijn vele factoren die gaan bepalen hoe het leven stilaan vastere vorm krijgt: de erfelijkheid vanuit de ouders, het lichaam dat zich steeds duidelijker en doelmatiger ontwikkelt, de opvoeding, het milieu,…
Dat elke mens bovendien een unieke biografie kan gaan, heeft hij anderzijds te danken aan de levens- en zielenkrachten en aan zijn individuele en vrije ik. Het is deze excarnerende stroom die ervoor zorgt dat de mens niet vastgeroest geraakt, noch op fysiek noch op mentaal vlak.
Beide processen moeten elkaar in evenwicht houden want onevenwicht brengen ongemak en ziektes met zich mee
In de lessen biologie bestuderen we de verschillende orgaanstelsels en overstijgen de idee dat deze los van elkaar staande en vervangbare apparaatjes zijn. We staan verwonderd stil bij de wijsheid van het menselijk lichaam als samenwerkend geheel.

 

Chemie

In dit jaar buigen we ons in de chemie voornamelijk over de anorganische wereld. Al lijkt dit een familie van ‘dode stoffen’, toch is het wonderlijk om te zien hoe hierop krachten inwerken die de meest harmonieuze kristalvormen doen ontstaan. We maken dan ook de noodzakelijke tijd vrij om zelf kristallen te doen ontstaan en te laten uitgroeien tot indrukwekkende grootte.
Anderzijds besteden we ook aandacht aan de verbanden tussen de zouten, de zuren en de basen. Splitsingsreacties, neutralisatiereacties, verdringingsreacties en uitwisselingsreacties worden zowel theoretisch als praktisch behandeld.

Boerderij- of winkelpracticum

De negende klassers zijn gericht naar de buitenwereld, men wil ervaringen opdoen, op verkenning gaan in de (werk)wereld van de volwassenen. Hij of zij ondergaat niet alleen meer maar wil stilstaan bij de dingen. Een ‘winkel- of boerderijpracticum’ is daarvoor zeer geschikt. De school leidt en voedt op voor het leven en dat leven speelt zich af in een werkgemeenschap. Ervaringen in die sfeer zijn binnen de schoolmuren niet mogelijk.

Boerderij (bedrijf): Er wordt naar gestreefd de leerlingen inzicht te laten verwerven in het reilen en zeilen van een land- of tuinbouwbedrijf. Uit dit inzicht, dat vanuit een concrete situatie wordt verworven, kan een algemene beoordeling van de agrarische sector als voedselproducent en economische entiteit groeien.

Winkel (kleinhandel): Het doel is een beeld te krijgen van de werking van een winkel, wat er voor het uitbaten van een winkel noodzakelijk is, wat er in- en uitgaat,…

In de negende klas wordt dus een week practicum voorzien. Niet zomaar een week geen les, maar omdat deze praktijkweek en de daaruit voortvloeiende ervaringen noodzakelijk en inspirerend zijn voor een vijftienjarige.

 

Fysica

Tijdens de fysicaperiode onderzoeken we samen wat krachten zijn. Bovendien bekijken we hoe hieruit beweging kan ontstaan. De wetmatigheden die door wetenschappers als Newton en Galilei werden afgeleid worden zeer belangstellend maar tegelijk kritisch onderzocht. De praktijk leert ons namelijk dat er niet in rigide wetmatigheden moet worden gedacht, maar dat we creatief dienen om te springen met het beschrijven van de fenomenen die ons omringen.

 Het sociaal practicum In de tiende klas wordt door elke leerling één week sociaal practicum gelopen in een verzorgende instelling. Dat kan zowel in de medische, maatschappelijk-sociale als dienstverlenende sector zijn. Concreet wordt gedacht aan werkgebieden waar mensen in een afhankelijkheidsrelatie voor elkaar zorgen en verantwoordelijkheid dragen zoals ziekenhuizen, bejaardentehuizen, therapeutica, scholen voor buitengewoon onderwijs, tehuizen voor verstandelijk en lichamelijk gehandicapten, … Het is de bedoeling dat de leerlingen hier zinvol werk verrichten dat hen zo veel mogelijk in direct contact brengt met de mensen die verzorgd of begeleid worden. Zij willen deze leren kennen en willen zich ook voor hun welzijn verantwoordelijk voelen.

Frans

De basis van de Franse taal wordt verder uitgebreid. De grammatica wordt afgewisseld met kennis van land en volk, liedjes, gedichten, verhalen en dialoogjes die voor de klas worden gebracht. Veel aandacht gaat naar klankvorming, beeldentaal, zelfredzaamheid. De leerlingen leren lezen, schrijven, luisteren en spreken in een Frans dat steeds vloeiender wordt.

Geschiedenis

We duiken de onpeilbare afgronden in, op zoek naar de oorsprong van onze cultuur. We bestuderen hoe de mens de aarde omvormt en hoe de aarde op haar beurt de mens en zijn cultuur mee vorm geeft. Aan de hand van experimenten met silex, hout en plantenvezels blijkt al gauw dat ook voor de allereerste vormen van werktuigen de mens die scheppende krachten gebruikt die hij later inzet om waterlopen, stromen, zeeën en woestijnen te bedwingen. De leerlingen werken samen naar het voorbeeld van een echt archeologenteam om tot de reconstructie te komen van de gehele uitrusting van een op geheimzinnige wijze, hoog in de bergen gestorven herder. Hypotheses moeten tegen elkaar en tegen de feiten afgewogen worden tot er een plausibele verklaring tevoorschijn komt. Op het einde, na de studie van opkomst, bloei en ondergang van de verschillende stroomculturen en van de Griekse cultuur die enig in zijn soort is, onderzoeken we zelfstandig of in kleine teams een niet westerse cultuur: hoe die ontstond, groeide en verging.

 

Wiskunde

In de tiende klas zetten we de wiskundethema’s voort volgens een belangrijk principe, namelijk dat nieuwe begrippen aangebracht worden in dezelfde volgorde als ze ontdekt zijn in het verleden. Daar zijn immers begrippen als logaritmen of goniometrische verhouding logisch en vanuit een organische vanzelfsprekendheid ontstaan. En zo is het voor de leerling ook de meest zinvolle benadering. Zo ontdekte men het begrip logaritme pas nadat de wetmatigheden van rekenkundige en meetkundige rijen bekend waren geraakt. In die volgorde zullen wij het dan ook aan de leerlingen aanbieden.

Maar wiskunde blijft ook ‘verwondering’ oproepen en zo begeven we ons in de fascinerende wereld van de fractals: het zich herhalend voordoen van een principe in een groter of kleiner wordende schaal, zoals we dat bv. kennen bij de beroemde Matroesjkabeeldjes.

Een belangrijk wiskundethema is ook de driehoeksmeting die ten grondslag ligt aan de topografie of landmeetkunde. Als toepassing op deze leerstof zullen we gedurende een week een groot gebied in kaart brengen met behulp van theodolieten, waterpasniveau ’s en meetlatten.

 

Lichamelijke Opvoeding

In het negende jaar is de doelstelling van de bewegingsopvoeding om de lichamelijke krachten te bundelen en te ordenen. De jongens kunnen wel eens prestatiegericht uit de hoek komen, terwijl de meisjes hun bewegingen uitdrukken in de vormgevende ritmische elementen van de sport. Zowel het hordelopen, de fosbury flop, de dievensprong, karaté als verdedigingssport, de turnopdrachten, het kogelstoten en de coopertest, zijn opdrachten die van binnenuit de energie konden losmaken.  De balsporten dragen dan weer bij tot samenspel en spelvreugde, waar het aanleren van de technieken nog sterk op de voorgrond staat.

Jaarwerk

De negende klasser schrijft een biografie over een persoon die hij/zij kent en van wie hij/zij het levensverhaal graag op papier zet. Men kiest iemand die al een groot deel van zijn of haar leven achter de rug heeft (bij voorkeur een 60+er). Als het lukt om de ‘rode draad’ in dit leven te herkennen en te omschrijven, is de biografie geslaagd. Tijdens de biografieweek zal men leren hoe men met behulp van een aantal zienswijzen naar iemands persoonlijkheid (kwaliteiten en werkpunten) en iemands leven kan kijken. De definitieve versie moet klaar zijn in de week na de paasvakantie.

Plastische Opvoeding

Tekenen & Schilderen

Na de studie van licht en duister in het vorige jaar waarin vele zwart-wit tekeningen werden gemaakt, wordt in de tiende klas het wezen van de kleuren onderzocht. De zielsgesteldheid van de 16jarige is nu zo dat het landschap aangevoeld en geschilderd kan worden. De mogelijkheden van de kleur worden onderzocht vanuit haar transparant en dekkend karakter. Vertrekkende vanuit stemmingsbeelden zoals bij William Turner en Caspar David Friedrich, komen de leerlingen uiteindelijk tot een eigen taal. Wat zien de leerlingen vandaag rondom hen? Sommige van hun landschappen zijn echte tijdsbeelden, zoals bv. de avondstemming die een 10de klasleerling schildert bij het voetbalveld waar hij wekelijks traint.

Boetseren

Terwijl het oordeelsvermogen in de 9de klas nog vooral gericht is op de buitenwereld, zetten de leerlingen in de 10de klas een stap meer naar binnen. Het theoretisch oordeelsvermogen ontwaakt en de ontwikkeling van de abstractie komt op gang. Daarom is ook het bestuderen van processen en stromingen van grote waarde. Met het vak  boetseren in de 10de klas vertrekken we daarom vanuit deze gegevenheden. Zowel het gevoelsleven, de eigen waarneming als het ontwakende gedachteleven krijgen een belangrijke plaats tijdens de boetseeropdrachten. Het herkennen en het creëren van vormdynamica neemt een vooraanstaande plaats in bij het oefenen. Concreet wil dit zeggen dat de leerlingen oefeningen krijgen zoals het boetseren van een slakkenhuis, een stapeling van kruisende balken, het metamorfoseren van een bepaalde vorm in verschillende stadia, het boetseren van een dier in balkvorm, het maken van een compositie op basis van door de wind gevormde duinen,… De menselijke gestalte komt hier ook aan bod, zowel verstilde als versteende bewegingen.

Tijdens de periode etsen, die al een aanloop is naar het latere drukatelier, leren de leerlingen zowel de droge naaldtechniek als de etstechniek. De leerlingen maken een reproductie naar Rembrandts werk, alsook bv. een fantasiekathedraal naar eigen ontwerp.

Ambachten (expressie): hout, koper, …

Koper- en metaalbewerking

Koper drijven in de 9e klas zat grotendeels in de gevoelssfeer.  In de 10e klas wordt een grotere wakkerheid vanuit het wilsgebied geëist.  Hier is een gerichte kracht vanuit de wil nodig om het koper in mekaar te drukken en dikker te maken.  Slag na slag wordt het metaal spiraalsgewijs in elkaar gedrukt aan de buitenkant van de vorm, m.b.v. een stuikhamer. Het koper wordt regelmatig uitgegloeid, zodat het smeedbaar blijft.

Deze stuikbewerking maakt scherpe en diepere vormen mogelijk.  Denken en concentratie worden aangesproken, ook hier is grote alertheid noodzakelijk. Er wordt een beker of een vaas gemaakt; of een doos met perfect passend deksel.

Het smeden is één van “oerhandwerkvakken” die op de leerling vormend inwerkt.  Het spreekt zowel de concentratie als de wakkerheid en het snelle en gerichte handelen aan. Er is de directe beleving van het smeedbare ijzer.  Men moet met een vak als smeden alles  goed vooraf doordenken: welk gereedschap heb ik nodig, in welke volgorde moet ik het klaarleggen.  Want je moet het ijzer smeden als het heet is!

Er wordt heel direct met de 4 elementen gewerkt: aarde met haar erts, vuur om te verhitten, lucht om het vuur aan te wakkeren en water om het metaal te verkoelen en vormvast te laten worden.

Vooral de ambachtelijke kant van het vak komt naar voor.  Vuurhaken, haardpoken,… werden  gesmeed.  Maar ook kunstzinnige projecten zoals het smeden van een blad (boom) komen aan bod.

Houtschrijnwerk

Schrijnwerkerij is een uitgesproken doe-vak dat verbonden moet worden met het exacte denken. Centraal staat de houtverbinding. Het hout wordt aangeboden in zijn meest starre vorm, begrensd door 6 vlakken die 2 aan 2 loodrecht op elkaar staan. De jongeren leren deze balken met elkaar te verbinden door ze elk apart van een passende constructievorm te voorzien.  Zo is de pen-gatverbinding als belangrijke verbinding terug te vinden in het krukje, een werkstuk waaraan een groot deel van de periode gewerkt wordt.

In het begin van de periode staat het op de millimeter uittekenen van de werkstukken voorop (het technisch tekenen). Nauwkeurig passende verbindingen maken staat of valt hiermee. Winkelhaak, kruishout, schuifmaat, dit alles wordt vertrouwd gereedschap. De jongeren leren recht zagen, en veilig werken met steek- en gatbeitel.  De juistheid, gehanteerd bij afschrijving en zagen van het hout, blijkt ook onmiddellijk bij het resultaat. Het krukje staat of wankelt.

Het zich meester worden van afschrijftechnieken, zaag- en kaptechnieken wordt afgewisseld met introducties over de boomsoorten, doorsnede van de stam en het FSC-label voor hout.

De 10de klasleerlingen bezitten die basishandvaardigheden en gaan reeds een groter werkstuk maken.  Projecten worden uitgevoerd in groepjes van 2 of 3. Hierbij worden hobbymachines gebruikt: vlakschuurmachine, decoupeerzaag…Na de periode wordt het werkstuk weggeschonken aan de school of aan een ander zinvol project.

Kartonnage

De leerlingen maken in het vak kartonnage kennis met de verschillende grondstoffen en leren in hoofdzaak mooi versierde opbergkaften uit te voeren.  Daarbij varieert de arbeidsvorm van individuele afwerking van werkstukken tot arbeidsdeling bij het uitvoeren van eventuele wensen die anderen hebben geformuleerd.  Tevens kunnen de leerlingen kennismaken met de basistechnieken van de papierfabricage en de vervaardiging van decoratieve papieren.

Muzikale Opvoeding

In de muzieklessen wordt er getracht om het gehoor verder te ontwikkelen via vierstemmige zang (sopraan, alt, tenor, bas). En dit via belangrijke componisten uit de gehele muziekgeschiedenis. Op die manier ontdekken ze de muziek in de eerste plaats door ze zelf actief te beleven en te beoefenen.

Ook wordt het gehoor nog gerichter getraind door middel van theoretische en gehooroefeningen zoals o.a. het herkennen van toonafstanden, toonaarden, ritme … Er wordt eveneens regelmatig “actief” geluisterd naar muziek. Het is dus de bedoeling om de leerlingen op die manier een bredere gehoorontwikkeling aan te bieden, zodat zij na het afsluiten van hun studie een bredere kennis hebben van muziek, deze kunnen herkennen, zelf kiezen en beluisteren en vooral er meer kunnen van genieten.

 

Frans

In de tiende klas werken we op basis van een handboek.  De lessen worden aangevuld met specifieke cultuurgebonden elementen die nauw aansluiten bij de intrinsieke motivatie en belangstellingssfeer behorend bij hun ontwikkelingsfase.  Dit kunnen liedjes zijn waarbij de nadruk komt te liggen op het gevoelsmatige en de zin voor het abstracte dat kenmerkend is voor die leeftijdsgroep.  Ook meer uitgebreide teksten die ingaan op de individuele interesses en het vermogen van de tiende klasser komen aan bod.  Het doel is de kijk op de (vreemde) Franse cultuur te verruimen en zo de vaak hedendaagse aversie tegen het Frans tegen te gaan.  De Franse taalverwerving zien we dus eveneens als een dialoog waarbij de leraar interactie aanmoedigt.  Hierdoor krijgt de leerling vertrouwen in het eigen uitdrukking- en taalvermogen.

In dit proces neemt de grammatica (het skelet) uiteraard een voorname positie in als middel om gedachten een stevige vorm en logische samenhang te geven.  De aanbreng van structuur is immers van primordiaal belang voor een tiende klasser.

Lichamelijke Opvoeding

Het sociale proces staat in de lessen lichamelijke opvoeding centraal. De eigen bewegingen moeten harmonisch samenvloeien met die van de klasgenoten. Elkaar helpen bij moeilijke sprongen is hierbij ook aan de orde. Ook het verweven van het gevoel bij het maken van sprongen, het esthetisch uitvoeren van grondoefeningen, het evenwicht vinden tussen de centripetale en centrifugale krachten,… zijn voortdurend thema van deze LO lessen.

In de praktijk komen aan bod: discuswerpen, rock & roll, saltobeweging, acrogym, balsporten,…

Landmeten/topografie

Met de 10de klas trekken we gedurende een volledige schoolweek naar een groot gevarieerd gebied met weiden, wegen, heide, vennen en gebouwen om dit gebied, dat vele hectaren groot, is op te meten en in kaart te brengen. Het is telkens een hoog gegrepen verwachting, zeker als we beseffen dat niemand reeds op voorhand enige noties heeft van de verschillende topografische opmetingstechnieken.

“Al werkend leren “ is onze methode: we beginnen er gewoonweg aan en wanneer het zich opdringt geven we als leerkrachten de nodige uitleg en informatie. Dat brengt met zich mee dat er, zeker de eerste dagen, nog geregeld fouten gemaakt worden en die moeten dan telkens worden rechtgezet. Soms tot na het avondeten! Maar dat geeft ook de motivatie om de volgende dag preciezer en bewuster aan het werk te gaan. Uiteindelijk leren we werken met de theodoliet, het pentagoonprisma, de jalons, de meetbakens, rolmeters,…

Het is fascinerend om zien hoe naar het einde van de week een heus plan tot stand komt dat een precieze verkleining is van het domein: gebouwen, wegen, open terreinen, bossen,… alles staat er nauwkeurig op aangeduid.

Cultuurbeschouwing

In deze periode maken we kennis met de vijf grote wereldreligies. We bestuderen telkens de ontstaansgeschiedenis, de schriftelijke en mondelinge overlevering van de specifieke leer, de rituelen en de gebruiken maar ook de cultuur die met deze religies verbonden is. Naast het beschrijvende maken we ook concreet kennis met de besproken godsdiensten via de bezoeken aan een moskee, een katholieke kerk, een joodse synagoge, een boeddhistische tempel of een Hare Krishna-centrum.

Nederlands

In het vak Nederlands staat de middeleeuwse literatuur centraal. Het eerste thema dat behandeld wordt, is hoe de bloedverwantschap tussen familieleden in de Germaanse heldensagen en in de middeleeuwse verhalen aan belang inboet en plaats maakt voor de persoonlijke keuze van de levenspartner/vriend, met alle verwikkelingen op sociaal, psychologisch en biografisch vlak die daaruit voortvloeien. Het gaat om het thema van de trouw en de vriendschap (voorhoofse cultuur) en om de overgang naar de minne (hoofse cultuur). Dit gegeven vindt men in de middeleeuwse literatuur van heel West-Europa en Noord-Europa en in Italië en wordt behandeld in samenhang met culturele stromingen en figuren van grote betekenis (op godsdienstig, cultureel, literair, maatschappelijk gebied). Dit thema kan ook onderzocht worden in de moderne Nederlandse literatuur.

Een  tweede  belangrijk  inhoudelijk thema  is  het  probleem  van  het  kwaad  in  de  middeleeuwse letterkunde en hoe men er nu tegenover staat.

Voorbeelden van onderzochte literatuur zijn: het Nibelungen- , Roelands- en Gudrunlied, Karel en de Elegast, Floris ende Blancfloer, Beatrijs, Reinaert de Vos en de Arturromans naast een  aantal  wereldlijke  en  geestelijke  minneliederen,  o.m.  van  Hadewijch,  Van Veldeke, Jan Moritoen

Esthetica: de pöetica

De leeftijd van de tiende klasleerling houdt een worsteling in met het prille zielenleven. Allerlei nieuwe emoties ontstaan in de relatie die de jongere ervaart met de buitenwereld, de andere en het andere.

Poëzie is hier het werkmiddel bij uitstek. Het uitspreken van het onuitspreekbare, het verwoorden van de emotie het aangaan van de relatie tussen dichter en lezer of toehoorder.

De leerlingen bereiden in deze periode een poëzieprogramma voor dat ze expressief presenteren voor een publiek van ouders, medeleerlingen en andere geïnteresseerden. Naast de technische aspecten is het belangrijk dat de leerlingen zich leren inleven in de emotie en dramatiek die op dat moment niet persé de hunne is.