Waar komt dit soort onderwijs vandaan?

Rudolf Steiner (1861-1925) is een denker die aan het begin van de vorige eeuw vernieuwing bracht binnen onderwijs, kunst, landbouw, geneeskunde, gehandicaptenzorg. Binnen deze gebieden kon hij veranderingen doorvoeren door zijn ruime blik op de werkelijkheid.
In 1919 richtte hij de eerste Steinerschool op, in Stuttgart (Duitsland). Deze school deed veel stof opwaaien, mede doordat vele oude tradities werden doorbroken. Zo was het voor die tijd niet denkbaar dat jongens en meisjes samen les kregen, was het evenmin gewoon dat een school godsdienstlessen inlaste waarbij verschillende religieuze overtuigingen naast elkaar stonden. Er zijn er nog vele voorbeelden te noemen van zaken die voor opschudding zorgden.

Pedagogische blikrichting

Reeds bij de oprichting van de eerste Steinerschool werd er door Rudolf Steiner gewezen op de verschillende levensfasen gedurende de kindertijd. Hij benadrukte dat er, wanneer je naar de ontwikkeling van het opgroeiende kind kijkt, wetmatigheden in terug te vinden zijn die je kunt onderverdelen in drie periodes. Wanneer je deze periodes met tijd aanduidt gaat het om drie periodes van ongeveer zeven jaren, verschuivingen vinden echter regelmatig plaats. Een eerste periode is die van zuigeling en kleuter, waarin het kind de geborgen omgeving van de familie nog sterk nodig heeft. In de tweede periode doet het een stap verder de wereld in, gaat een eigen weg. Een derde periode kenmerkt zich vervolgens doordat het kind, na de lagereschooltijd, gaat werken aan zijn eigen toekomst. Kijkend naar de ontwikkelingen binnen deze drie levensfasen zie je bij alledrie de periodes een specifiek leergebied. Zo vindt er in de tijd van 0 tot 7 jaar een enorme fysieke rijping plaats (de periode dat de mens lichamelijk het meeste groeit), tussen de leeftijd van 7 tot 14 jaar concentreert de ontwikkeling zich dan weer binnen het omwerken van neigingen, gewoontes, geweten, karakter, geheugen en temperament. Terwijl de ontwikkeling in de puberteit toegespitst is op het ontvouwen van een zelfstandige denkkracht. De inhoud van het onderwijs op onze school is dan ook zo ingericht dat binnen de ideeën voor het leerplan rekening is gehouden met de leeftijdsfase waarin de kinderen zich bevinden.

Onderwijs als ontwikkelingsweg

Het spelen is iets wat een kind uit eigen behoefte doet, hier is geen uiterlijk doel voor nodig. Al kan het spelen van een kind voor een volwassen mens oninteressant en fragmentarisch overkomen, voor kinderen is dit het beleven en ontdekken van de wereld en dus de grootste ernst. Het verschil wat te maken is tussen spelen en werken is dus niet dat het spelen ‘speels’ is en het werken ‘ernst’, maar dat het spelen geen rekening houdt met een uiterlijk doel en het werken wel. De opgave van onze school is om het spelen geleidelijk aan te laten overgaan in werken. Wanneer de leerstof in dit proces wordt ingevoegd, wordt deze tot ontwikkelingsstof. We gaan dan namelijk van het kind in zijn totaliteit uit, willen zowel het denken als het voelen als het willen tot ontplooiing laten komen.

Totaliteit

Zoals uit de zevenjaarsfasen (zie Pedagogische blikrichting) reeds blijkt is op de Steinerschool kleuter - , lagere - en middelbare school een geheel. In onze school werken we ook vanuit die totaliteit. Dit beperkt zich echter tot een peuterklas, twee kleuterklassen en klas 1 t/m 6. Veel kinderen gaan daarna naar een middelbare Steinerschool in Antwerpen, Lier of Breda. Er wordt echter ook meermaals gekozen voor een school in de buurt. Binnen de klas wordt er ook naar een totaliteit gestreefd. Iedere klas is een geheel wat zo lang mogelijk wordt voortgezet, liefst vanaf de peuterklas tot klas 6. Het is dan ook uitzonderlijk dat er op onze school kinderen een schooljaar moeten overdoen.

Peuterklas vanaf 2 ½ jaar

Voor veel kinderen begint het hier, is dit hun eerste kennismaking met de school. Het is zeer belangrijk dat deze kennismaking positief is, omdat het voor ons van groot belang is of het kind graag naar school gaat of juist niet. Een belangrijke pijler is dan ook geborgenheid. Het peuterhuis is klein en gezellig. Poppenhuisjes, boten, een vertelhoek en een lage eettafel maken de ruimte tot een levendig geheel. Voor een goede ontwikkeling van een kind vinden wij het verder noodzakelijk dat men hen tot omstreeks zeven jaar spelend en daardoor vrijwillig onderzoekend met de wereld laat omgaan. Dat betekent niet dat de kinderen heel de dag vrij worden gelaten en er geen dagritme is. Buiten dat er in de peuterklas veel spel is wordt het luisteren naar verhaaltjes, het tekenen en knutselen hier reeds veelvuldig gedaan. De juf heeft een moederlijke taak. De kinderen moeten op tijd naar het toilet, op tijd eten en drinken. Ze leert hen verder zelfstandig huiselijke taakjes te doen, met elkaar om te gaan, hoe je iets vraagt aan een ander en noem maar op.

Kleuterschool vanaf 3 ½ jaar

De lokalen van de twee kleuterklassen zijn ruim. De inrichting is zo dat er veel plaats is om te bouwen. De kleuters hebben hier veel mogelijkheid tot het al doende leren en het ontwikkelen van fantasie. Blokken, doeken, planken en zandzakjes worden zo tot huizen of kastelen. De kinderen krijgen hier een vast ritme waarbinnen het dag - , de week - en het jaarritme sterk worden beleefd. - De dagopbouw speelt zich altijd af tussen vrij spel en gezamenlijk dingen doen. Zo kun je binnenkomen en zien dat het ene kind een stoomtrein bouwt en een ander weer bezig is om de poppen in slaap te wiegen. Dan hoor je juf onder het spel ineens zingen wat voor de kinderen het teken is dat het dagelijks terugkerende kringspel gedaan wordt. Iedereen ruimt op en al snel is er een kring, een gezamenlijk deel. - Het weekritme kun je sterk beleven aan de activiteiten die wekelijks op een vaste dag plaatsvinden. Voorbeelden hiervan zijn een broodbakdag, een soepdag, een dag waar er geschilderd wordt, een knutseldag. - Het jaarritme wordt door de kinderen beleefd binnen het vieren van de jaarfeesten. Elk jaarfeest heeft zijn eigen vorm die als aanduiding geldt voor het beleven van de jaargetijden. Buiten dat de juffen zeer sterk het ritme in de klas brengen, hebben zij net als in de peuterklas een zorgzame taak. De kinderen zijn echter zelfstandiger en hebben een langere spanningsboog, waardoor er meerdere gezamenlijke activiteiten kunnen plaats vinden.

Lagere school vanaf 6 ½ jaar

De tafeltjes en stoeltjes zijn allen gericht op het bord, de plek vanwaar de leerinhouden komen. Leerinhouden die de kinderen evenredig op alle fronten laten ontwikkelen. Dus zowel hoofd, hart als handen. Binnen het leerplan is er dan ook intellectuele vorming, sociale vorming en handvaardigheid terug te vinden. Daarbij is het niet de bedoeling dat de kinderen minder leren, maar juist meer! Buiten dat zij op cognitief niveau na de 6e klas evenveel kennis bezitten als zij hadden verworven op een andere school, zijn hun sociale vaardigheden, moraliteit en ondernemingszin ook een grote ontwikkeling gegaan. De lessen starten meestal gezamenlijk. Doordat individuele verschillen erkend worden wordt er echter vanzelfsprekend gedifferentieerd. De leerkracht speelt een centrale rol binnen het lagereschoolonderwijs. Zijn belangrijkste taak is om de lesstof zo om te vormen dat deze tot de verbeelding van de kinderen kan spreken, waardoor ze enthousiast worden voor dat wat ze leren. De leerkracht van de lagere school gaat, in tegenstelling tot andere schoolvormen, zes jaar met zijn groep mee en gaat dus een langdurige vertrouwensband aan met de kinderen. 

Oudercontact

Er zijn per klas gemiddeld drie ouderavonden per jaar. Bij deze bijeenkomsten wordt een blik geworpen op de klas en waar ze mee bezig is. Vragen over de pedagogie kunnen daar ook gesteld worden. Ouders van de lagere school krijgen maandelijks de vorderingen op cognitief vlak op papier. Ook zijn er in de winter tafelgesprekken. Hierbij wordt gekeken naar de totale ontwikkeling van het kind in de lagereschool. Er zijn veel ouders betrokken bij de werking van de school. Zo worden de PR - en Fondswervingsgroep, de jaarfeestengroep, knutselgroep en de nieuw gebouwengroep vooral door ouders vorm gegeven. Daarbuiten is er ook een oudergroep die het praktische gedeelte van de school op zich neemt.